|
|
Zorgaanbod anesthesie
Wij hebben ons tot doel gesteld een operatie of een onderzoek voor u zo veilig en aangenaam mogelijk te maken. Het wegnemen van de pijn is hierbij slechts één onderdeel van ons takenpakket. Net zo belangrijk is het behoud van levensbelangrijke lichaamsfuncties (bijv. bloedsomloop en ademhaling). Zo worden bijvoorbeeld vloeistof- en bloedverlies tijdens een operatie behandeld door de anesthesist.
Premedicatie
Van groot belang voor uw veiligheid tijdens een operatieve ingreep is het premedicatiegesprek. In dit gesprek, dat over het algemeen de dag vóór de operatie plaatsvindt (bij poliklinische ingrepen en bij patiënten die al van tevoren op de afdeling verblijven, ook enkele dagen van tevoren op de polikliniek premedicatie), informeert de anesthesist nauwkeurig naar uw eerdere ziektes en aandoeningen en naar eerdere operaties en vindt een lichamelijk onderzoek plaats.
Hierbij is ook de informatie over het permanente gebruik van medicijnen van groot belang, waarbij deze nauwkeurig moeten worden vermeld. Daartoe is het bijzonder handig indien de patiënt een lijst van medicijnen kan overleggen.
Aan het eind van het gesprek bepaalt de anesthesist of nog verder vooronderzoek noodzakelijk is (bijv. bloedafname, cardiologisch onderzoek) en welke medicijnen op de dag van de operatie moeten worden ingenomen.
Tot slot wordt samen met u de anesthesiemethode gekozen, die voor u en voor de betreffende operatie het beste is en wordt u geïnformeerd over eventueel nog bestaande risico's.
Anesthesiemethoden
De term “anesthesie” komt uit het Grieks en betekent “gevoelloosheid”.
Binnen ons ziekenhuis worden drie verschillende anesthesiemethoden gebruikt:
- de plaatselijke anesthesie of plaatselijke verdoving
- de regionale anesthesie of gedeeltelijke narcose van grotere gedeelten van het lichaam.
- de algehele anesthesie of volledige narcose.
Bij de plaatselijke anesthesie wordt slechts een klein gedeelte van het lichaam gevoelloos gemaakt. Plaatselijke anesthesie doet de arts die de operatie uitvoert over het algemeen zelf.
Bij de regionale anesthesie worden grotere gedeelten van het lichaam pijnvrij gemaakt door verdoving van de zenuwen van het operatiegebied naar het ruggenmerg.
Bovendien wordt hierdoor het waarnemingsvermogen voor aanraking en temperatuur uitgeschakeld en kan de patiënt het betreffende gedeelte van het lichaam niet meer bewegen. Hiervoor worden de zenuwen verdoofd door het inspuiten van plaatselijke verdovingsmiddelen oftewel bij het ruggenmerg of hiervan verwijderd.
Tot de regionale anesthesiën waarbij de vloeistof niet bij het ruggenmerg wordt ingespoten, behoren in ons ziekenhuis de nervus femoralis- of 3-in-1-blokkades in het kader van de postoperatieve pijnbehandeling na ingrepen aan de benen evenals de zogenaamde armplexus-anesthesiën voor ingrepen in de handchirurgie en aan de armen.
Bij de armplexus-anesthesiën wordt het verdovingsmiddel ofwel aan de zijkant van de hals ingespoten, onder het sleutelbeen of in de oksel.
Tot de regionale anesthesiën waarbij de verdoving wordt ingespoten in de zenuwen bij het ruggenmerg behoren de spinale anesthesie en de peridurale anesthesie met en zonder katheter.
Bij de spinale anesthesie wordt het verdovingsmiddel voor de plaatselijke verdoving direct ingespoten in de met zenuwvloeistoef (liquor) gevulde ruimte (spinale kanaal) van de wervelkolom.
Bij de peridurale anesthesie worden verdovingsmiddelen bij de wervelkolom in de buurt van het spinale kanaal ingespoten. Dit kan door het inbrengen van een klein slangetje (peridurale katheter) vrijwel net zo vaak worden herhaald als gewenst is.
Beide methoden maken een betrouwbare pijnuitschakeling mogelijk voor ingrepen onder de buiknavel, bijvoorbeeld liesbreukoperaties, ingrepen in het kniegewricht en keizersneden.
De peridurale katheter wordt ook vaak gebruikt bij de postoperatieve pijnbehandeling en om een pijnvrije bevalling mogelijk te maken.
Bij de algehele anesthesie (volledige narcose) worden het bewustzijn en de pijngevoeligheid in het hele lichaam uitgeschakeld. Hierbij worden bepaalde medicijncombinaties gebruikt voor een zogenaamde “uitgebalanceerde narcose”. Eigenlijk betreft het hier middelen waardoor de patiënt in een soort slaap wordt gebracht en gehouden, middelen voor de pijnuitschakeling en indien nodig voor de spierverslapping. Om de patiënt onder narcose te houden, worden de narcosemiddelen ofwel continu intraveneus toegediend (TIVA = totale intraveneuze anesthesie) of als narcosegas via de longen. Bij beide methodes zal de patiënt weer snel en op een aangename wijze uit de narcose ontwaken. Indien de patiënt na de operatie en na een narcose nog lange tijd slaapt, is dit over het algemeen het gevolg van de toediening van pijnstillers na de operatie. Misselijkheid en braken komen door de moderne narcosemiddelen tegenwoordig gelukkig veel minder vaak voor. Indien u echter in het verleden dergelijke vervelende ervaringen heeft gehad, dient u dit tijdens met premedicatiegesprek te vermelden. In dat geval worden vóór en tijdens de anesthesie preventieve medicamenteuze maatregelen getroffen.
Volwassenen worden over het algemeen onder narcose gebracht door het inspuiten van een slaapmiddel via een infuus. Daardoor komt de patiënt snel en op een aangename manier in een soort slaaptoestand. Bij baby’s en peuters gebeurt de narcose door het voorhouden van een ademmasker en inademen van een narcosegas. Ook volwassenen krijgen om veiligheidredenen vóór het inslapen nog een zuurstofmasker opgezet.
Bij grotere kinderen kan een infuus pijnvrij worden ingebracht door van tevoren een verdovingspleister (EMLA(r)) aan te brengen.
Nadat de patiënt in slaap is gebracht, is over het algemeen beademingshulp of beademing noodzakelijk. Dit gebeurt bij ingrepen van korte duur via een gezichtsmasker. Bij ingrepen van langere duur gebeurt de beademing na invoer van een beademingsslang in de luchtpijp (tracheabuis) of in de keel (larynxmasker). In sommige gevallen is om veiligheidsredenen het aanbrengen van een tracheabuis onvermijdelijk.
Tijdens de narcose worden alle levensbelangrijke lichaamsfuncties door de anesthesist bewaakt. Hiertoe beschikt de anesthesist over uitgebreide technische apparatuur: het ECG voor controle van de hartfunctie, de automatische bloeddrukmeting voor controle van de bloedsomloop, de meting van het zuurstofgehalte in het bloed en van het kooldioxidegehalte in de ademlucht ter controle van de beademing en de meting van het narcosegasgehalte in de ademlucht voor regeling van de anesthesie. Deze basisbewaking kan op elk moment worden uitgebreid met ook in de intensieve geneeskunde gebruikte bewakingsmaatregelen (invasieve bloeddrukmeting, meting van de centrale veneuze druk, pulmonale arteriële katheter).
Al deze maatregelen zijn in het belang van de veiligheid van de patiënt; tegenwoordig zijn de risico's van een narcose door de moderne narcosemiddelen en de moderne narcosebewaking (en niet op de laatste plaats door de grotere wetenschappelijke kennis) beduidend geringer dan 20 tot 30 jaar geleden. Van aanzienlijk grotere invloed op het totale risico (anesthesie en operatie) zijn hier het aantal en de ernst van de eerdere ziektes en aandoeningen van de patiënt.
Verkoeverkamer
Na het ontwaken uit de narcose of tijdens het afnemen van de regionale anesthesie worden de patiënten overgebracht naar de verkoeverkamer.
Ook hier worden hart, ademhaling en bloedsomloop evenals de medicamenteuze pijnbehandeling bewaakt en worden eventuele misselijkheid en braken medicamenteus behandeld. Bovendien worden hier nog eventueel afwijkende laboratoriumwaarden behandeld (bijvoorbeeld door toediening van belangrijke minerale zouten via infuus of door een bloedtransfusie). Nadat de patiënt volledig is ontwaakt, wordt hij na een bezoek van de anesthesist en als hij zich relatief goed voelt en vrijwel geen pijn heeft, naar de verpleegafdeling gebracht.
Na grotere operaties worden de patiënten over het algemeen direct vanuit de OK naar de intensive care gebracht en daar verder behandeld.
Polikliniek Anesthesie
Hier vinden de voorgesprekken plaats voor de narcose (premedicatie).
Openingstijden van de polikliniek Anesthesie:
maandag, dinsdag 13.00 tot 15.00 uur
woensdag en donderdag
vrijdag 12.30 tot 14.30 uur
De voorgesprekken voor de narcose moeten op zijn vroegst 1 week vóór de operatie plaatsvinden. Hierbij dient u de ingevulde narcosevragenlijst mee te brengen.
U dient hierbij rekening te houden met wachttijden, omdat om organisatorische redenen geen afspraken gemaakt kunnen worden.
De polikliniek bevindt zich op afdeling 2a, direct naast de verkoeverafdeling. U dient zich te melden bij het secretariaat (mw. Lauer) van de kliniek voor Anesthesie en Intensieve geneeskunde in kamer 215. Mevrouw Lauer zal u de weg wijzen naar de wachtkamer van de polikliniek Anesthesie. U wordt vervolgens door de anesthesist opgeroepen voor het gesprek.
|
|